Terug naar overzicht
13 mei 2019

Wijziging vaststelling WGA- en Ziektewetpremie vanaf 2020

Een jaar geleden kwam het kabinet met een conceptwijziging voor de Whk-financiering. De belangrijkste en grootste wijziging was die van de WGA-premievaststelling. In het regeerakkoord was namelijk afgesproken dat de WGA-risicoperiode verkort zou worden van 10 naar 5 jaar. Zoals bekend is die wijziging niet doorgegaan. Enkele andere voorgestelde ingrepen in de Whk-financiering hebben het wel tot wetgeving gered. We lopen ze met u door.

Inschrijven voor onze gratis Digi-kwest nieuwsbrief.

Publiek verzekerde (middel)grote werkgevers betalen een rekenpremie (rekenpercentage) met daarop een opslag of een korting. De opslag of korting is afhankelijk van de WGA-schade van de werkgever: is deze hoger dan gemiddeld dan volgt een opslag terwijl bij een lager dan gemiddelde schade een korting volgt op het rekenpercentage. Het rekenpercentage zelf is een afgeleide van het gemiddelde percentage dat door UWV wordt vastgesteld. Het gemiddelde percentage is de gemiddelde premie die de publiek verzekerde werkgevers in een kalenderjaar moeten opbrengen om de geraamde publieke uitkeringslasten in hetzelfde jaar te financieren (lastendekkende premie). Dit gemiddelde percentage wordt vervolgens in de berekening van de WGA-premie niet meer gebruikt. Het is namelijk nodig om in de premieberekening de korting of opslag te berekenen over een hoger percentage, omdat er bij de uiteindelijke premie een maximum van toepassing is. Door dit maximumpercentage komt er minder premie dan nodig is binnen en dit wordt gecorrigeerd in het rekenpercentage. Het rekenpercentage kan ook gebruikt worden om te sturen in de premieontvangsten wanneer het vermogen van de Werkhervattingskas daarom vraagt, bijvoorbeeld omdat er in een voorafgaand jaar (veel) meer WGA-schade is geweest dan destijds begroot.

In de huidige premieberekening zijn de hoogtes van de minimum- en maximumpremiepercentages gekoppeld aan het gemiddelde percentage en niet aan het (hogere) rekenpercentage. Het zijn daardoor de werkgevers met een premie die tussen de minimum- en maximumpremie ligt, die ‘last’ hebben van het premieverlies dat optreedt door de maximumpremie. Zij hebben immers te maken met een premie die altijd hoger is dan op basis van de vergelijking tussen hun eigen schade en de gemiddelde schade te verwachten zou zijn. Dit vindt de huidige regering onwenselijk. Om het financiële leed bij alle werkgevers neer te leggen vervalt per 2020 de rekenpremie. In de premieberekening wordt dan het gemiddelde percentage als uitgangspunt genomen en hierop kan een opslag of korting worden berekend.  Het gemiddelde percentage moet overigens wel eerst weer worden aangepast op een mogelijk verschil tussen premie-inkomsten en de uitkeringslasten. Kortom; uiteindelijk is het dus eigenlijk meer het gemiddelde percentage dat vervalt, het rekenpercentage dat dan gemiddeld percentage wordt genoemd en waaraan de minimum- en maximumpercentages gekoppeld worden. Deze wijziging moet op dezelfde wijze voor de berekening van de Ziektewetpremie gaan gelden. In de WGA heeft deze wijziging ook invloed op de correctiefactor die momenteel berekend wordt met gebruikmaking van het rekenpercentage. De correctiefactor zal waarschijnlijk lager uit gaan vallen omdat vanaf 2020 het, naar verwachting lagere gemiddelde percentage gebruikt wordt in de berekening ervan.

Ook de grondslagen voor de berekeningen van de gemiddelde premie en de sectorpremie gaan wijzigen. Momenteel worden voor beide premies de schadelast en de loonsommen van resp. alle werkgevers en alle werkgevers in een sector gebruikt. Dat betekent dat het rekenpercentage, dat gebruikt wordt voor grote werkgevers, ook is vastgesteld op de loonsommen en schades van kleine werkgevers. Andersom is de sectorpremie niet alleen gebaseerd op de loonsommen en schades van kleine werkgevers. De overheid wijzigt dit per 2020 zodat de premies meer gebaseerd zijn op het daadwerkelijke risico. Het gemiddelde percentage is dan afhankelijk van de totale loonsom en schade van grote en middelgrote werkgevers. Voor de middelgrote werkgevers telt dat hun aandeel naar rato wordt meegenomen. De sectorpremie zal vervolgens worden vastgesteld op de loonsommen en schades van alleen kleine en middelgrote werkgevers, waarbij die laatste weer naar rato invloed hebben. Deze wijziging moet één op één gaan gelden voor de vaststelling van de Ziektewetpremies.

De vaststelling van de gemiddelde premiepercentage voor de WGA wordt op nog een punt gewijzigd. Bij (middel)grote werkgevers wordt de individuele premie berekend door hun individueel risico te vergelijken met het gemiddelde werkgeversrisico. Het gemiddelde werkgeversrisico bestaat uit de totale WGA-last in het jaar t-2 gedeeld door de totale SV-loonsom in het jaar t-2. Het individuele risico kent een andere berekeningswijze. Hierbij wordt ook de WGA-last genomen in het jaar t-2, maar deze wordt afgezet tegen de gemiddelde loonsom over de periode t-2 tot en met t-6 (5 jaren). Omdat normaliter de loonsom een stijgende lijn vertoond, zal de individuele premie ten opzichte van de gemiddelde premie te hoog zijn vastgesteld. Dit moet worden opgelost door ook de gemiddelde premie te baseren op een totale loonsom over gemiddeld vijf jaren. 

Een heel verhaal, maar de verwachte gevolgen zijn minder omvangrijk. De aanpassingen in de premiesystematiek hebben volgens het kabinet een zeer beperkt effect op de premies. Op macroniveau zullen de premieopbrengsten gelijk blijven. Daarnaast geldt dat over het algemeen de premies voor kleine werkgevers licht zullen dalen en voor (middel)grote werkgevers (licht) zullen stijgen. Voor een individuele werkgever met een zeer hoog risico zal de premiestijging ten hoogste enkele tienden procentpunten bedragen als gevolg van de aanpassingen in de premiesystematiek.