Terug naar overzicht
09 maart 2026

Misschien wel of geen vakantieopbouw slapend dienstverband

Sinds de komst van de transitievergoeding die ook betaald moet worden na een periode van 104 weken loondoorbetaling bij ziekte, hebben we te maken gehad met slapende dienstverbanden. Door een dienstverband niet op te zeggen hoefde een werkgever geen transitievergoeding te betalen. Dit probleem is opgelost door een regeling die werkgevers recht geeft op compensatie van de betaalde vergoeding. Nu deze compensatieregeling beperkt en misschien afgeschaft wordt, bestaat er weer het risico op slapende dienstverbanden. Daar schuilt nog een extra financieel risico achter: opgebouwde vakantiedagen.

Inschrijven voor onze gratis Digi-kwest nieuwsbrief.

In een rechtszaak stelt een werknemer dat er tijdens de periode waarin een dienstverband slapend is, nog steeds vakantiedagen worden opgebouwd. Bij de beëindiging van het dienstverband moeten deze dus worden afgerekend. Deze stelling is met de Nederlandse wetgeving eenvoudig te weerleggen. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt namelijk dat een werknemer per jaar waarin hij recht op loon heeft gehad, aanspraak maakt op vakantie van minimaal viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week. Aangezien er in een slapend dienstverband geen recht op loon is, kan er ook geen aanspraak op vakantie worden gemaakt. Europa lijkt daar echter anders over te denken.

De lidstaten va de Europese Unie hebben in een Handvest de grondrechten van hun burgers vastgelegd. Onder de noemer ‘Solidariteit’ zijn ook een aantal grondrechten aangaande werknemers vastgesteld. Zo bepaalt het Handvest dat alle werknemers recht hebben op gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden en is het verboden om kinderen te laten werken. Ook vakantie blijkt een grondrecht voor de Europese werknemer:

Iedere werknemer heeft recht op een beperking van de maximumarbeidsduur en op dagelijkse en wekelijkse rusttijden, alsmede op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon.

De bepaling in het Handvest is verder uitgewerkt in de Europese Richtlijn aangaande arbeidstijden. In deze Richtlijn wordt van de lidstaten verlangd dat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend[1]. Ook is bepaald dat deze minimumperiode niet kan worden afgekocht, behalve als een dienstverband wordt beëindigd.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in een arrest bepaalt dat een nationale regeling buiten toepassing moet worden gelaten door de nationale rechter, als deze bepaling in strijd is met bepaalde vakantiebepalingen uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daar zit geen lucht tussen. Het Hof van Justitie heeft in een andere uitspraak echter bepaald dat recht op vakantie niet verminderd kan worden of kan vervallen, tenzij er specifieke omstandigheden zijn die een afwijking van het fundamentele recht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon zouden kunnen rechtvaardigen. Dat biedt weer wat ruimte voor de nationale regels en dat vindt de kantonrechter in deze zaak ook.

De kantonrechter is terecht van oordeel dat bij een slapend dienstverband er geen sprake meer is van arbeid en loon en dat de arbeidsovereenkomst in feite inhoudsloos is geworden. De werknemer heeft na afloop van de periode van 104 weken van ziekte geen re-integratieverplichtingen meer en vakantiedagen zijn daardoor overbodig aldus de kantonrechter. Vakantiedagen zijn immers bedoeld om werknemers in staat te stellen om uit te rusten en te herstellen van werk en weer op krachten te komen. De werknemer met een slapend dienstverband heeft geen werk om van te herstellen. De kantonrechter vindt dat gezien deze redenatie je niet kan zegen dat onze nationale wetgeving in strijd is met het Handvest.

Daarmee is de kous nog niet af. Enkele weken later is er wederom een rechtszaak over een slapend dienstverband met al dan niet opbouw van vakantierechten. De kantonrechter in deze zaak merkt op dat er al veel rechtszaken over dergelijke geschillen zijn geweest en ook nog zullen gaan komen. Hij stelt daarom voor om een prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad over de vraag of een arbeidsongeschikte werknemer vakantiedagen opbouwt tegen loonwaarde tijdens een slapend dienstverband. Dat lijkt een verstandige zet. Hopelijk is de Hoge Raad ook verstandig en laat zich bij de beantwoording van de vraag adviseren door het Europese Hof van justitie.

Ingewikkelde nationale en Europese regels in sociaal verzekeringsrecht en arbeidsrecht en rechters mogen het oplossen. Misschien is het tijd voor aanpassing in de nationale regelgeving. Een klein gedachtenspinsel: Na 104 weken van ziekte (en niet na twee jaar) is een werkgever gehouden de arbeidsovereenkomst op te zeggen als er geen passend werk kan worden aangeboden. De transitievergoeding die vervolgens betaald moet worden mag worden verminderd met de gemaakte kosten in het kader van re-integratie tweede spoor.


[1] Artikel 7 van de Richtlijn 2003/88/EG