Terug naar overzicht
04 september 2026

Maken we het niet te moeilijk?

Met name kleine werkgevers ervaren dat de wet- en regelgeving rond ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid niet eenvoudig te begrijpen is. Wellicht de kleinste werkgevers zijn PGB-houders. Een zorgbehoevend persoon die gebruik maakt van een persoonsgebonden budget, koopt zelf de benodigde zorg in. Er kan daardoor een arbeidsovereenkomst ontstaan met de zorgverlener. Met terugwerkende kracht gaan voor duizenden PGB-houders andere regels gelden voor deze arbeidsovereenkomsten. Dat zal voor hen, voor hun zorgverleners, voor SVB, de VNG, de Belastingdienst en voor UWV voor lastige situaties kunnen zorgen. Op 8 september start de Eerste Kamer met de behandeling van deze Wetswijziging, die echter al een voldongen feit lijkt.

Inschrijven voor onze gratis Digi-kwest nieuwsbrief.

De wijziging is nodig omdat de Regeling dienstverlening aan huis (Rdah) niet meer gebruikt mag worden door PGB-houders. Als er doorgaans voor minder dan vier dagen in de week zorg wordt verleend, dan mag dankzij deze Rdah een licht arbeidsrechtelijk regime worden toegepast. Er geldt bijvoorbeeld een loondoorbetalingsperiode bij ziekte van maximaal 6 weken en de verplichte werknemersverzekeringen zijn niet van toepassing. In een uitspraak heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld dat de Regeling dienstverlening aan huis in strijd is met regelgeving over de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid. Het uitsluiten van deze groep levert indirecte discriminatie van vrouwen op, omdat de uitzondering een aanzienlijk hoger percentage vrouwen dan mannen treft. Het gevolg is dat de Rdah vanaf 2026 niet meer gebruikt kan worden door PGB-houders. Ook bij kleine arbeidsovereenkomsten gelden dan alle verplichtingen en verantwoordelijkheden van normaal werkgeverschap.

Er zijn al veel langer ‘PGB-werkgevers’ (rond de 2.000) die niet onder de Rdah vallen. Voor hen verzorgt de SVB de volledige salarisadministratie, regelt zo nodig rechtsbijstand bij conflicten, heeft een arbodienst voor verzuimbegeleiding en zorgt ervoor dat zorgverleners buiten het budget om worden doorbetaald bij ziekte. Het idee is dat dit ook gaat gebeuren voor de PGB-houders die vanaf 2026 niet meer onder de Rdah mogen vallen. Dat is echter simpeler gezegd dan gedaan.

Lastig bij de wijziging is dat er meerdere wettelijke gronden bestaan waarop een PGB-recht gebaseerd kan zijn: de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Jeugdwet en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Voor de eerste drie categorieën worden de PGB-houders verplicht ondersteund door de SVB. Voor de categorie Zorgverzekeringswet is dit vrijwillig. Nu is het lastige dat budgethouders die via de Zorgverzekeringswet een pgb ontvangen alleen goed in beeld zijn als ze zich al via de SVB laten ondersteunen. Alleen voor hen gaan de wijzigingen per 2026 in. Voor de overige PGB-houders uit deze doelgroep moet dat in een later stadium als ze compleet in beeld zijn nog gebeuren.

Ook lastig is dat ondanks ondersteuning van de SVB, het juridisch werkgeverschap blijft liggen bij de budgethouder. De SVB regelt dus wel de loondoorbetaling bij ziekte en de begeleiding, maar de budgethouder is eindverantwoordelijk voor alles waaronder de re-integratie-inspanningen. Dat betekent dat een PGB-houder een loonsanctie opgelegd kan krijgen. Dat houdt dan weer niet per se in dat de PGB-houder hier financieel voor opdraait. Het Kabinet wil dat de loonsanctie alleen wordt verhaald als de PGB-houder verwijtbaar heeft gehandeld. De Tweede Kamer heeft vervolgens besloten dat de loonsanctie niet op de PGB-houder verhaald mag worden als de nieuwe werkgeversverplichtingen vanwege gezondheidssituatie, beperking of complexiteit van de regelgeving niet volledig overzien of uitgevoerd kan worden. Geen loonsanctie bij te complexe regelgeving is een goed idee, maar bepaalt de regelgever niet de complexiteit?

Lastig wordt ook dat de PGB-houder na een overgangssituatie van twee jaar de premies voor de werknemersverzekeringen uit het PGB-budget moet ophoesten. Tijdens de overgangssituatie wordt het PGB-budget hiervoor met 20 procent verhoogd voor de SVB-doelgroep. Daarna moet de zorg feitelijk 20 procent minder gaan kosten. De zorgverlener, die dan dus werknemer is van de PGB-houder, moet het dan dus met 20 procent lager loon doen of 20 procent minder uren. Kan dat zomaar eenzijdig worden bepaald door de werkgever? Het Kabinet hoopt gelukkig dat PGB-houders niet in een gat zullen vallen. Voor de PGB-houders vanuit de WMO- en Jeugdwet-doelgroepen is het mogelijk nog lastiger; voor hen is nog onzeker of de 20 procent compensatie er überhaupt komt, want dat is afhankelijk van het beleid van de gemeente waaronder zij vallen.

Een lastige situatie ontstaat verder als niet onderkend is dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst met de zorgverlener. Wanneer dit tijdens een controle van de Belastingdienst ooit aan het licht komt, zullen er dus met terugwerkende kracht de verschuldigde loonbelasting, premie volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en werkgeversheffing Zorgverzekeringswet afgedragen moeten worden. Een doekje voor het bloeden; als er dan financiële problemen ontstaan kan er een betalingsregeling worden afgesproken met de PGB-houder.

Ook lastig wordt het als een zorgverlener werkloos of arbeidsongeschikt raakt. Voor de WW- en WGA-loongerelateerde uitkering is het arbeidsverleden van belang. Ook zullen voor een uitkering inkomensgegevens in het refertejaar bekend moeten zijn. Deze gegevens en vooral het arbeidsverleden, zullen niet altijd compleet bekend zijn bij Belastingdienst en UWV. Er is extra uitvraag bij de SVB nodig en de kans op onjuistheden bij de uitkeringsvaststelling neemt toe. Dit kan ook tot nabetalingen of terugvorderingen leiden met onverhoopte keteneffecten zoals op Toeslagen.

Minder lastig is dat de Wet Flexibel Werken vooralsnog niet geldt en voor wat betreft het opzeggen van de arbeidsovereenkomst het lichtere arbeidsrechtelijk regime voorlopig van toepassing blijft. Wat wel een probleem kan worden is de transitievergoeding. Hoe en door wie wordt het arbeidsverleden voor de berekening van de transitievergoeding vastgesteld? Vindt er vanuit Gemeentes compensatie van de vergoeding plaats? (SVB doet dit wel) Of volgt hier mogelijk ook een betalingsregeling voor de PGB-houder?

Maar goed, het Kabinet vindt dat het ergens ook wel makkelijker wordt. Voor zorgverleners die een arbeidsovereenkomst hebben met een PGB-houder geldt voortaan altijd hetzelfde arbeidsrechtelijke regime. Dat is inderdaad makkelijker, maar dus niet voor iedereen.

Het meest eenvoudig en het meest logisch is het natuurlijk als een PGB-houder wel inspraak heeft in welke zorg hij wanneer en door wie verleend krijgt, maar daardoor geen juridische werkgever wordt. Daar zijn gelukkig ook mogelijkheden voor. Familieleden die via een PGB zorg verlenen, werken doorgaans niet via een arbeidsovereenkomst en worden daardoor (vooralsnog) ook niet geraakt door dit wetsvoorstel[1]. Ook als er wordt gewerkt via een overeenkomst van opdracht en/of via een zorgbureau zijn er door de nieuwe regelgeving geen gevolgen. PGB-houders die geen risico willen lopen zijn dus gewaarschuwd. Nou ja; op zijn best zijn ze geïnformeerd.

 

 

[1] De SVB heeft een modelovereenkomst van opdracht beschikbaar voor partner- en familiezorg